Op school zeiden zijn vrienden:

Dat wordt me toch een schaker.’

Dat dacht hij ook, en flink studeerde hij.

Zijn jeugd een reeks problemen.

Wat nu, zong Plato’s geest? Wat nu?

Hij telde en dacht na en eindelijk

kwamen berekeningen uit.

Partij schreef hij bij na partij

en bewonderaars bij het leven.

Wat nu, zong Plato’s geest. Wat nu?

Zijn schoonste dromen werden waar:

een eigen blad, een opening op naam.

Hij was een held voor vriend en vrouw,

had alles wat hij hebben wou.

Wat nu? Zong Plato’s geest. Wat nu?

Ik heb mijn werk, dacht hij als oude man,

perfect gedaan, zoals het in mijn jonge jaren

mij voor ogen stond.

Laat dwazen razen, ik heb iets volbracht.

Maar luider zong die geest: Wat nu?

  

Alie Blokhuis